Groot Genneps Genootschap

| domus|
retro
 

Marche de l'armee 29 - 30 mei 2010

Proloog (of wat er aan vooraf ging)

Als een donderslag bij heldere hemel. Zo overvalt het ons. Geen gewoon onweer, geen uit z'n vestje gegroeide altocumulus castellanus die een uurtje te lang tussen de heuvels rond het wondermooie Diekirch blijft hangen om daar de tentjes tussen de caravans uit te spoelen. Dat kan nog wel leuk zijn, om vanuit je hoog en droge woonwagen het volk wanhopig en verzopen aan de scheerlijnen van hun wiebeltentjes te zien hangen. Maar wat ons dit jaar overkomt is ingrijpender dan gewoon natuurgeweld.

Het begint met een email van Jan. In twee regels vraagt hij ons of er iemand van het Genootschap bezwaar heeft als hij twee jonge dames meeneemt die hij op één van zijn obscure wandeltochten heeft leren kennen. Het schept direct een ernstig probleem. Het Groot Genneps Genootschap Ter Bevordering van de Gecombineerde Zang- Drank- en Wandelkunst is niet alleen een inwijdingsgenootschap, waarin de wandelaar via een aloude geheime ritus de zoektocht naar het ware geluk nu voortzet op de mysterie-wandelweg, maar het is ook een tamelijk ontoegankelijk Genootschap. Zoals de Johannieter Orde, erfgenaam van de schatten van de Tempeliers, uitsluitend nieuwe Hospitaalridders opneemt die al van oude en erkende adel zijn, zo neemt het Genootschap uitsluitend ervaren wandelaars aan die al op meerdere gebieden hun gulden sporen verdiend hebben. Het gaat daarbij niet alleen om de wandelkilometers al weegt het aantal volbrachte 4Daagses zwaar. Maar de meester-wandelaars van het Genootschap dienen ook hun wijnen (en spiritualia) te kennen. Ze zijn daarnaast in staat een boeiend receptenboek te vertalen naar panklare verrukkingen, maar het allerbelangrijkste: Ze kennen hun wandelliederen en zingen ze met gouden kelen, zowel staand als wandelend, opdat de eenvoudige medewandelaar er een schijnsel van schoonheid door ontwaart en denkt: zou er dan toch nog meer zijn in het leven dan soldatenliedjes en zuipen alleen? Kortom u begrijpt, het is al lang, heel lang geleden dat het Genootschap een nieuwe leerling mochten inwijden. En zo hoort het ook!

Maar daar zijn ze dan plotseling: Aartje en Ilonka. Als ze uit de auto van Jan en Andries stappen lijkt het nog wel mee te vallen. Ze stellen zich aan iedereen voor met een allerliefste glimlach en beginnen vervolgens te kwebbelen. En dat houdt vier dagen lang niet meer op. Het is al niet eenvoudig vast te leggen wat twee monden in vier dagen tijd aan onzin kunnen produceren, maar de veelzijdigheid waarmee beide dames tussendoor nog schunnigheden, schandaligheden en vunzigheden in bloemrijke maar klare taal weten te delibereren tart iedere verbeelding. Brood, Deelder en van 't Hek verschuilen zich angstvallig achter de heg van de camping. Kandidaten voor het Genootschap? Goed, een paar 4-Daagses hebben ze wel gelopen, maar het favorite drankje van de dames blijkt de eerste middag al Malibu-Cola (!) te zijn. Als ze zingen heeft dat als enig voordeel dat de vogels onze tenten en caravans niet meer onderschijten en aan koken zijn ze godzijgeloofdengeprezen niet toegekomen. De range aan gespreksonderwerpen lijkt met de komst van de dames aanzienlijk te vertunnelen. Het zal de lezer bekend zijn dat het menselijk onderlichaam een beperkt aantal nuttige functies heeft, waaronder de fysieke afwatering en het verwijderen van andere afvalproducten. In minder dan een half uur horen we meer dan achttien verschillende, maar uiterst prozaïsche uitdrukkingen waarmee je die functies kunt omschrijven. Je zou bijna vergeten wat voor leuke dingen je ook nog met die organen zou kunnen doen maar gelukkig, daar hebben ze nog wel wat meer dan achttien uitdrukkingen voor. Wanhopig slaan we onze ogen ten hemel en daar begint het prompt uit te regenen. En dat doet het de halve nacht. Niet dat de dames zich daardoor laten hinderen. Na in ware zusterliefde samen een (liter)flesje Malibu te hebben verorberd, trekken ze deze vrijdagavond vanaf de camping naar het dorp om voor de feestende militairen van alle deelnemende naties een meertalige workshop gore soldatentaal te organiseren. En de mannen van het Genootschap? Die sukkelen er braaf achteraan. Bah!

Diekirch
De Marche de l'armee in het Luxemburgse Diekirch lopen we vrijwel ieder jaar. Hij wordt georganiseerd door het Luxemburgse leger nou ja, leger, eigenlijk is het een bataljon, gekazerneerd op de heuvel naast het dorp. Diekirch is prachtig gelegen op een kruising van twee lange dalen en wordt doorsneden door de rivier de Sûre. Deze natuurlijke doorgangsroute was al in de romeinse tijd een strategische doorgangsplaats, geschikt om te verdedigen en tol te heffen. Vers water bovendien om te drinken en te irrigeren. Na het vertrek van de Romeinen namen de Franken hun intrek op en rond de fortificatieën. Het dorp is ongetwijfeld genoemd naar het nog altijd bestaande kerkje uit de Merovingische tijd. Diekirch moet wel van belang zijn geweest in de vroege middeleeuwen, want het stenen kerkje dateert uit de zesde eeuw, een tijd dat de Frankische koninkjes, de Merovingers, voor hun eigen verblijfplaatsen niet veel verder kwamen dan het bouwen van houten pallisades op de stenen ruïnes van de Romeinse forten. Dat oude kerkje staat nog steeds in het centrum van Diekirch, zorgvuldig verscholen op een pleintje achteraf en is een bezoek zeker waard.

Luxemburg
Zoals altijd slapen we op de grote camping aan de rivieroever, Camping 'De la Sûre' ('Aan de Sûre') genoemd. Vanwege het drukke zomertoerisme is er direct grenzend aan De la Sûre, een tweede camping bijgebouwd, die de Diekirchers verrassend 'Op der Sauer' ('Letzenburgs voor Aan de Sûre') hebben genoemd. Het is een beetje typerend voor het fantasievolle Luxemburgse volk dat door onze nationale prethistoricus Maarten van Rossum ooit al eens als 'volkomen comateus' werd omschreven. En terecht. Zelden ontmoet je een natie die zo volledig uit verschillende gradaties van zombie is opgebouwd als Luxemburg. Ze zijn beleefd en aardig maar iedere verdere vorm van communicatie verzandt ogenblikkelijk in de contactloze loenzige blikken die diepere gesprekken zinloos lijken te maken. Volkomen noncommunicado! Zo lang de tweedaagse wandeltocht al bestaat, sinds 1968, worden de tienduizend wandelaars uit alle landen van de wereld aan het eind van beide wandeldagen onnodig door het centrum van Diekirch geleid, in de hoop dat er nu toch echt eens een heuse intocht met publiek langs de route zal ontstaan. Maar helaas, in de weilanden langs de marsroutes is het massaal toestromende melkvee aanzienlijk enthousiaster dan de Luxemburgers. Toch is Luxemburg, ondanks dat constante begrafenisgevoel, één van de rijkste landen ter wereld. Dat ligt niet zo zeer aan het verscholen vernuft en intellect van de bevolking, noch aan stevig ontwikkelde staalindustrie van het land, maar allereerst aan het feit dat het Luxemburgse bankgeheim het piepkleine landje met zijn vijfhonderdduizend inwoners tot één van de grootste banknaties ter wereld heeft gemaakt. De financiële sector verzorgt een vierde deel van het bruto nationaal inkomen. En dat vind je ook overal terug. In alle dorpen die we tegenkomen, al hebben ze maar vijf straten, er is altijd een bank.

Dag Een
Het landschap maakt alles goed. De streek waar we wandelen maakt deel uit van het Luxemburgse zuidoostelijke 'Gutland'. Dat onderscheidt zich van de ruige beboste noordwestelijke 'Ösling' streek doordat het meer glooiend is en minder rotsachtig en daardoor geschikt voor landbouw en veelteelt. En dat is fijn voor wandelaars. In het bos wandelen is niet leuk. Na een uurtje lopen zie je door de bomen het bos niet meer. In het bos is het altijd donker en ondanks alle moderne gedweep met de natuur is er niets saaiers dan een oneindige verzameling bomen die je het zonlicht en het uitzicht benemen. Zo niet dit landschap. Kort na de start gaan we de eerste heuvels in en het uitzicht is magnifiek. Rollende velden in iedere kleur van de regenboog, jong korengroen, lavendelpaars en koolzaadgeel, afgewisseld met bossen en weiden vol vee. Paarden met veulens draven uitgelaten met de wandelaars mee en jonge kalveren kijken hun ogen uit. De zon schijnt. Het ontstrest, je loopt je hersens leeg. Het is prachtig maar het is wel een loodzware tocht. Gutland mag dan 'glooiend' zijn, in werkelijkheid betekent dat niet veel meer dan dat er geen stoeltjesliften nodig zijn om boven te komen. De eerste heuvel, kort na de start, is een klim van een half uur. Tegen de tijd dat ik boven ben zijn mijn kuiten volkomen verzuurd. Freddie spurt samen met Ipe en Johan voor me uit, gevolgd door ons Dynamische Duo Druk Druk Druk. De dames dragen allebei een petje van zilvere lovertjes. Met de zon erop wordt je er blind van. Fred en Ipe lopen net als ik in het Grootgenneps Geel. We lopen, heuvel op heuvel af in de richting van de eerste etappeplaats: Vianden.

Vianden
Vianden is enig en vreselijk. Het is het 'Scheveningen van Luxemburg' dat zelf weer zo'n beetje het 'Volendam van Europa' is. Eeuwen lang was het de zetel van de graven van Vianden, die troonden in de burcht hoog boven het stadje. In 1417 ging het graafschap over in handen van Engelbrecht van Nassau. De titel Graaf van Vianden leeft nog verder in de Walramse Linie van het Huis Nassau. De burcht staat er nog altijd. Veertig jaar geleden was het niet meer dan een uitgesleten ruïne zonder daken en met halve muren. Nu is het volledig gerestaureerd en wel alsof het er altijd zo heeft uitgezien. Ongetwijfeld gefinancieerd door Dexia, die zo keurig de zwarte rekeningetjes van onze bouwfraudeondernemers beheert. Verder is Vianden dus één aaneengeschakelde horecagelegenheid, met er tussenin een keten van souvenirswinkeltjes. Maar het ligt wel prachtig in het rivierdal van de Our, diep uitgesleten tussen beboste hellingen. Heerlijk ouderwets bestraatte weggetjes tussen veelkleurige en gevarieerde huizen, winkels en terrasjes, dus toch een feest voor het oog. Het GGG kiest al jaren de eerste uitspanning van het dorp. Het is een restaurant met een groot terras midden in de zon en met uitzicht op het kasteel als je naar boven kijkt en op de rest van Vianden aan de onderzijde van het beeld. Op het terras worden we opgewacht door de echtgenoten van Jan en Andries, Els en Sylvia. Binnen een paar minuten is vrijwel het gehele GGG aanwezig, behalve Andries, die op de twintig kilometerroute loopt en Vianden niet aandoet. Traditioneel drinken we hier in Vianden een Diekirch biertje. Niet dat gewone spul, maar de Grand Cru, zoals dat het Genootschap wel toevertrouwd is. Of zou moeten zijn. Want de werkelijkheid is dat slechts Jan en ik het hoger alcoholpercentage van de Grand Cru noodgedwongen gedogen, teneinde de exeptionele smaak van dit topbiertje te kunnen proeven. De rest van de aanwezige genoten, Freddie, Ipe en Johan, nemen de ordinaire pilsvariant. Van Freddie en Ipe vind ik dat niet zo erg. Ze worden ouder en voelen zich daardoor wellicht wat onzeker. Maar van onze Johan valt het me zwaar. We hebben verdomme zoveel geinvesteerd in die jongen! Giebel en Gebbel drinken cola. Laat maar...

Brandenbourg
Na Vianden loop ik, met Jan, Knabbel en Babbel langs een drie kilometer lange rotswand richting Brandenbourg. Als de dames worden ingehaald door een peloton luchtmachtsoldaten hoor ik de meiden vrolijks met de soldaten praten. Wat ze zeggen weet ik niet maar het peloton versnelt vrijwel onmiddellijk de pas. De soldaten kijken geschrokken en houden het tempo er nu stevig in. Wat motivatie niet te weeg kan brengen. In Brandenbourg eten we hamburgers en bratwursten aan houten tafels langs de kant van de weg. Het is de laatste rust voor de GGT, de Grote Gemene Teringlijer, een heuvel van meer dan zestien procent, over een lengte van ruim twee kilometer. Niet de langste klim van de mars maar toch wel een van de steilste en zwaarste. Wie hem kent ziet er tegen op. Voordat we opstaan vertelt één van onze dames met een lieve glimlach dat haar string door al dat gewandel een beetje klem is komen te zitten. Als ze hem met een achteloos gebaartje, een charmante knipoog en een verlegen "Oeps......." weer los weet te trekken, daalt er een serene stilte over het terras. En paar jonge mariniers kijken wat ontdaan om zich heen. Dat hebben ze nog niet meegemaakt, in Afghanistan.

Diekirch
Na de GGT is het snel aan op Diekirch. Met, net als ieder jaar, de vergeten verrassing, de laatste grote heuvel die beklommen moet worden alvorens heuvelafwaarts naar de finish te glijden. Via de buitenwijken, met de eeuwig gesloten rolluiken voor alle ramen, wandelen we door het uitgestorven centrum, alvorens de laatste knip te ontvangen bij het station. Jan en ik lopen naar hotel du Parc voor een biertje. Goed, dat is natuurlijk ook niet helemaal onvoorspelbaar. Als we op de camping aankomen treffen we de rest van het gezelschap. Petra, Marleen en Frans, die samen het twaalf kilometerparcours hebben gewandeld, hebben al boodschappen gedaan. Als ik ga zitten wordt ik aangevallen door Farouk en Jack, de twee boxers van Marleen en Frans. Met name Farouk slaat letterlijk en figuurlijk zijn 'armen' om je heen en is in staat om je volkomen dood te knuffelen. Karin is intussen ook binnen. Vorig jaar liep ze de eerste dag veertig en de tweede twintig wat veel wandelaars doen, maar dit jaar loopt ze twee keer veertig. Dat komt haar ook niet slecht uit want opvallend om haar heen zien we Leo, een luchtmacht-onderofficier in Afghanistan. Of Leo Karin leuk vindt, of dat Karin Leo leuk vindt, helemaal duidelijk wordt het niet, maar later dit weekend stellen we vast dat er hoe dan ook toch wel wat vrije tijd in is gaan zitten. Jan en Andries, onze Grootgennepse Drankorgels, gaan morgen samen de twintig kilometer lopen. Nee, dan onze Tweeling Trol en Troela! Er zou dan een knopje aan/uit op moeten zitten, maar lopen doen ze wel.

Barbecue
Vanavond gezamenlijk aan de barbecue. Freddie en Ipe worden dan toch weer een beetje roofdieren. Zelf ben ik niet tegen de jacht. Als ik mocht kiezen tussen de houtvesterijen van Apeldoorn, om daar, bejaagd door Koningin Dubbelloops Maxima, te eindigen op de gouden verwarmde borden van paleis 't Loo, of dat ik, vanuit het weiland van boer Biet, moest eindigen op de barbecue van zo'n zuipende Neanderthaler met Heinekenschort, dan wist ik het wel. Een zwijn heeft zo zijn voorkeuren. Maar ons varkensvlees heeft die mazzel niet. En het smaakt er niets minder om. Freddie en Ipe mogen het dan fijn vinden om de stukken vlees steeds om te keren, Heinekenschorten dragen ze tenminste niet. En ze zingen er wel heel mooi bij. En, belangrijker, ze dragen geen t-shirts van het Genootschap, opdat niemand ziet dat we ook dit soort dingen eten. De meesten van ons gaan toch wel vroeg naar bed, waaronder ikzelf. De volgende morgen blijken er toch nog een paar diehards het dorp in te zijn geweest.

Dag twee
Het weer laat ons in de steek. Het regent nog net niet maar garanties zijn er niet. Via Gilsdorf gaan we de grote klim op. Via Moserhaff en Reisermillen gaan we vandaag naar Beaufort waar we ieder jaar, de traditie getrouw, lunchen. Op de heenweg paar klimmetjes van meer dan een uur per keer. Onderweg om de vijf kilometer de waterplaatsen van het Luxemburgse leger. De soldaten richten daar marktkramen op waar ze honderden plastic bekertjes met water neerzetten, al dan niet aangelengd met vruchtensiroop. Er staan dan ook toiletten. De zogenaamde Dixie's. Het zijn moderne kunststofvarianten op de ouderwetse poepdoos. In het midden van de unit een plastic tank met een gat en een deksel. Rond het deksel een vaste wc-bril. In de unit een unieke samengestelde geur die zich redelijkerwijze niet meer laat beschrijven. Zelfs Ilonka die er noodgedwongen gebruik van moet maken, is meer dan drie minuten stil als ze er uit komt. Zelf loop ik liever een kilometer naar de plaatselijke bosrand dan dat ik ooit nog een keer zo'n menselijke methaanfabriek binnen stap. We lopen wel stukken samen op maar houden het tempo er wel in. Het landschap is, zeker tot aan Beaufort, erg mooi, maar zonder zon mist het de sprankeling van de eerste wandeldag. Licht maakt nu eenmaal alles mooi. In Beaufort zien we af van de traditionele pasta want vanavond staat die van Freddie op het menu. Een uiterst geheim recept, dat al ten tijde van de laatste romeinse kindkeizer Romulus in het bezit schijnt te zijn geweest van de germaanse heerkönig Friedrick, die als foederatus voor Rome vocht en geheim inwijdeling was van de Groot Gennepse Frankische Broederschap van Mitras, waaruit het hedendaags Genootschap uiteindelijk is voortgekomen. Friedrick zou het recept weer hebben opgedaan van een germaanse maat bij de Pretoriaanse Garde van Romulus. Met name het onbekende Gleufgiebelkruid (foramen risus aroma) veroorzaakt mits met mate toegediend een licht erotische roes, wat de romeinen ooit tot heftige orgiën schijnt te hebben gedreven. Ook bij ons zal het vanavond dus wel een latertje worden.

Maar eerst lopen we nog even terug naar Diekirch. Ik ben vanochtend zo eigenwijs geweest om geen jack mee te nemen en als het na Beaufort begint te regenen, en ook de temperatuur behoorlijk achterblijft, kan ik niet anders meer dan een plastich poncho aandoen en aanhouden. Het is de enige manier om geen kou te vatten. Mijn t-shirt is volkomen doorweekt en de luchtvochtigheid in de heuvels ligt rond de negentig procent, dus het droogt niet meer op. Een windje er over en je hebt het recept voor een schitterende longonststeking. Nadeel is dat je het onder je plastic poncho nog warmer krijgt en weer meer gaat zweten. Drama, drama, drama. Maar het laatste stuk loopt langs de camping waar ik schone droge spullen aan kan trekken en een oordentelijk jack. Aan de finisch worden traditioneel de medailles afgehaald. Het finishterrein is een oud boerenerf met grote oude schuren en nieuwe aanbouw waar gefeest kan worden. Het is zoals altijd vreselijk gezellig. Alle wandelaars drinken er een biertje of eten er een vette hap. Voor dat laatste moet eerst bij een houten kassakeet een bonnetje worden gekocht. Er zijn bonnetjes voor hamburger, brot mit bratwurst, patat, shoarma. Bij de ene mevrouw kun je alleen terecht voor de hamburger en de bratwurst en bij de andere voor de frites en de shoarma. Back to the forties. Het kan allemaal in Luxemburg.

Maar wij gaan terug naar de camping voor de pasta van Freddie. Klaargemaakt op de schottelbraai. We eten en drinken en de afwas wordt weer voor ons gedaan. Sommigen doen even een dutje. Iedereen is moe. Na het eten wordt het weer slechter en kruipen we allemaal in de caravan van Marleen en Frans. De honden op de mat in het midden. De bedbank voorin is al bezet door Frans, Ilonka, Freddie en ikzelve. Maar op het bed achterin is er nog wel plaats bij Marleen, Aartje en Petra. Als Johan als laatste binnenkomt kan hij of staan of bij de dames plaatsnemen. Hij blijft liever staan, maar de sirenen van Diekirch lokken hem naar het bed met wonderschoon gezang. En zoals ooit de rijnschippers van de Lorelei kan hij niet anders dan toegeven en laat hij zich vol overgave op het bed trekken. Dan wordt het tussengordijntje gesloten en nooit, nooit hebben we meer van Johan gehoord.

Die nacht, op de brug over de Sûre, waar ooit, in 897, Swentibold, de tweede koning van het legendarische maar kortstondige middenrijk Lotharingen, toetrad tot de Groot Gennepse Frankische Broederschap, worden Ilonka en Aartje volgens een strikt geheime ritus opgenomen in het Groot Genneps Genootschap ter Bevordering van de Gecombineerde Zang- Drank- en Wandelkunst. Niet alle leden zijn daar mee akkoord maar ook in het genootschap is de democratisering niet langer buiten de deur te houden. Leve de Malibu zullen we maar zeggen ..............






 

Last update 03.09.2007  |  copyright © 2007 [ blisterfield ]