|
Proloog (of wat er aan vooraf ging)
Als een donderslag bij heldere hemel. Zo
overvalt het ons. Geen gewoon onweer, geen uit
z'n vestje gegroeide altocumulus castellanus die
een uurtje te lang tussen de heuvels rond het
wondermooie Diekirch blijft hangen om daar de
tentjes tussen de caravans uit te spoelen. Dat
kan nog wel leuk zijn, om vanuit je hoog en
droge woonwagen het volk wanhopig en verzopen
aan de scheerlijnen van hun wiebeltentjes te
zien hangen. Maar wat ons dit jaar overkomt is
ingrijpender dan gewoon natuurgeweld.
Het begint met een email van Jan. In twee regels
vraagt hij ons of er iemand van het Genootschap
bezwaar heeft als hij twee jonge dames meeneemt
die hij op één van zijn obscure wandeltochten
heeft leren kennen. Het schept direct een
ernstig probleem. Het Groot Genneps Genootschap
Ter Bevordering van de Gecombineerde Zang-
Drank- en Wandelkunst is niet alleen een
inwijdingsgenootschap, waarin de wandelaar via
een aloude geheime ritus de zoektocht naar het
ware geluk nu voortzet op de mysterie-wandelweg,
maar het is ook een tamelijk ontoegankelijk
Genootschap. Zoals de Johannieter Orde,
erfgenaam van de schatten van de Tempeliers,
uitsluitend nieuwe Hospitaalridders opneemt die
al van oude en erkende adel zijn, zo neemt het
Genootschap uitsluitend ervaren wandelaars aan
die al op meerdere gebieden hun gulden sporen
verdiend hebben. Het gaat daarbij niet alleen om
de wandelkilometers al weegt het aantal
volbrachte 4Daagses zwaar. Maar de
meester-wandelaars van het Genootschap dienen
ook hun wijnen (en spiritualia) te kennen. Ze
zijn daarnaast in staat een boeiend receptenboek
te vertalen naar panklare verrukkingen, maar het
allerbelangrijkste: Ze kennen hun wandelliederen
en zingen ze met gouden kelen, zowel staand als
wandelend, opdat de eenvoudige medewandelaar er
een schijnsel van schoonheid door ontwaart en
denkt: zou er dan toch nog meer zijn in het
leven dan soldatenliedjes en zuipen alleen?
Kortom u begrijpt, het is al lang, heel lang
geleden dat het Genootschap een nieuwe leerling
mochten inwijden. En zo hoort het ook!
Maar daar zijn ze dan plotseling: Aartje en
Ilonka. Als ze uit de auto van Jan en Andries
stappen lijkt het nog wel mee te vallen. Ze
stellen zich aan iedereen voor met een
allerliefste glimlach en beginnen vervolgens te
kwebbelen. En dat houdt vier dagen lang niet
meer op. Het is al niet eenvoudig vast te leggen
wat twee monden in vier dagen tijd aan onzin
kunnen produceren, maar de veelzijdigheid
waarmee beide dames tussendoor nog
schunnigheden, schandaligheden en vunzigheden in
bloemrijke maar klare taal weten te delibereren
tart iedere verbeelding. Brood, Deelder en van
't Hek verschuilen zich angstvallig achter de heg
van de camping. Kandidaten voor het Genootschap?
Goed, een paar 4-Daagses hebben ze wel gelopen,
maar het favorite drankje van de dames blijkt de
eerste middag al Malibu-Cola (!) te zijn. Als ze
zingen heeft dat als enig voordeel dat de vogels
onze tenten en caravans niet meer onderschijten
en aan koken zijn ze godzijgeloofdengeprezen
niet toegekomen. De range aan
gespreksonderwerpen lijkt met de komst van de
dames aanzienlijk te vertunnelen. Het zal de
lezer bekend zijn dat het menselijk onderlichaam
een beperkt aantal nuttige functies heeft,
waaronder de fysieke afwatering en het
verwijderen van andere afvalproducten. In minder
dan een half uur horen we meer dan achttien
verschillende, maar uiterst prozaïsche
uitdrukkingen waarmee je die functies kunt
omschrijven. Je zou bijna vergeten wat voor
leuke dingen je ook nog met die organen zou
kunnen doen maar gelukkig, daar hebben ze nog
wel wat meer dan achttien uitdrukkingen voor.
Wanhopig slaan we onze ogen ten hemel en daar
begint het prompt uit te regenen. En dat doet
het de halve nacht. Niet dat de dames zich
daardoor laten hinderen. Na in ware zusterliefde
samen een (liter)flesje Malibu te hebben
verorberd, trekken ze deze vrijdagavond vanaf de
camping naar het dorp om voor de feestende
militairen van alle deelnemende naties een
meertalige workshop gore soldatentaal te
organiseren. En de mannen van het Genootschap?
Die sukkelen er braaf achteraan. Bah!
Diekirch
De Marche de l'armee in het Luxemburgse
Diekirch lopen we vrijwel ieder jaar. Hij wordt
georganiseerd door het Luxemburgse leger nou
ja, leger, eigenlijk is het een bataljon,
gekazerneerd op de heuvel naast het dorp.
Diekirch is prachtig gelegen op een kruising van
twee lange dalen en wordt doorsneden door de
rivier de Sûre. Deze natuurlijke doorgangsroute
was al in de romeinse tijd een strategische
doorgangsplaats, geschikt om te verdedigen en
tol te heffen. Vers water bovendien om te
drinken en te irrigeren. Na het vertrek van de
Romeinen namen de Franken hun intrek op en rond
de fortificatieën. Het dorp is ongetwijfeld
genoemd naar het nog altijd bestaande kerkje uit
de Merovingische tijd. Diekirch moet wel van
belang zijn geweest in de vroege middeleeuwen,
want het stenen kerkje dateert uit de zesde
eeuw, een tijd dat de Frankische koninkjes, de
Merovingers, voor hun eigen verblijfplaatsen
niet veel verder kwamen dan het bouwen van
houten pallisades op de stenen ruïnes van de
Romeinse forten. Dat oude kerkje staat nog
steeds in het centrum van Diekirch, zorgvuldig
verscholen op een pleintje achteraf en is een
bezoek zeker waard.
Luxemburg
Zoals altijd slapen we op de grote camping aan
de rivieroever, Camping 'De la Sûre'
('Aan de Sûre') genoemd. Vanwege
het drukke zomertoerisme is er direct grenzend
aan De la Sûre, een tweede camping bijgebouwd,
die de Diekirchers verrassend 'Op
der Sauer' ('Letzenburgs voor Aan de Sûre')
hebben genoemd. Het is een beetje typerend voor
het fantasievolle Luxemburgse volk dat door onze
nationale prethistoricus Maarten van Rossum ooit
al eens als 'volkomen comateus' werd omschreven.
En terecht. Zelden ontmoet je een natie die zo
volledig uit verschillende gradaties van zombie
is opgebouwd als Luxemburg. Ze zijn beleefd en
aardig maar iedere verdere vorm van communicatie
verzandt ogenblikkelijk in de contactloze
loenzige blikken die diepere gesprekken zinloos
lijken te maken. Volkomen noncommunicado! Zo
lang de tweedaagse wandeltocht al bestaat,
sinds 1968, worden de tienduizend wandelaars
uit alle landen van de wereld aan het eind van
beide wandeldagen onnodig door het centrum van
Diekirch geleid, in de hoop dat er nu toch echt
eens een heuse intocht met publiek langs de
route zal ontstaan. Maar helaas, in de weilanden
langs de marsroutes is het massaal toestromende
melkvee aanzienlijk enthousiaster dan de Luxemburgers. Toch is
Luxemburg, ondanks dat constante
begrafenisgevoel, één van de rijkste landen ter
wereld. Dat ligt niet zo zeer aan het verscholen
vernuft en intellect van de bevolking, noch aan
stevig ontwikkelde staalindustrie van het land,
maar allereerst aan het feit dat het Luxemburgse
bankgeheim het piepkleine landje met zijn
vijfhonderdduizend inwoners tot één van de
grootste banknaties ter wereld heeft gemaakt. De
financiële sector verzorgt een vierde deel van
het bruto nationaal inkomen. En dat vind je ook
overal terug. In alle dorpen die we tegenkomen,
al hebben ze maar vijf straten, er is altijd een
bank.
Dag Een
Het landschap maakt alles goed. De streek waar
we wandelen maakt deel uit van het Luxemburgse
zuidoostelijke 'Gutland'. Dat onderscheidt zich
van de ruige beboste noordwestelijke 'Ösling'
streek doordat het meer glooiend is en minder
rotsachtig en daardoor geschikt voor landbouw en
veelteelt. En dat is fijn voor wandelaars. In
het bos wandelen is niet leuk. Na een uurtje
lopen zie je door de
bomen het bos niet meer. In het bos is het
altijd donker en ondanks alle moderne gedweep
met de natuur is er niets saaiers dan een
oneindige verzameling bomen die je het zonlicht
en het uitzicht benemen. Zo niet dit landschap.
Kort na de start gaan we de eerste heuvels in en
het uitzicht is magnifiek. Rollende velden in
iedere kleur van de regenboog, jong korengroen,
lavendelpaars en koolzaadgeel, afgewisseld met
bossen en weiden vol vee. Paarden met veulens
draven uitgelaten met de wandelaars mee en jonge
kalveren kijken hun ogen uit. De zon schijnt.
Het ontstrest, je loopt je hersens leeg. Het is
prachtig maar het is wel een loodzware tocht.
Gutland mag dan 'glooiend' zijn, in
werkelijkheid betekent dat niet veel meer dan
dat er geen stoeltjesliften nodig zijn om boven
te komen. De eerste heuvel, kort na de start, is
een klim van een half uur. Tegen de tijd dat ik
boven ben zijn mijn kuiten volkomen verzuurd.
Freddie spurt samen met Ipe en Johan voor me
uit, gevolgd door ons Dynamische Duo Druk Druk
Druk. De dames dragen allebei een petje van
zilvere lovertjes. Met de zon erop wordt je er
blind van. Fred en Ipe lopen net als ik in het
Grootgenneps Geel. We lopen, heuvel op heuvel af
in de richting van de eerste etappeplaats:
Vianden.
Vianden
Vianden is enig en vreselijk. Het is het
'Scheveningen van Luxemburg' dat zelf weer zo'n
beetje het 'Volendam van Europa' is. Eeuwen lang
was het de zetel van de graven van Vianden, die
troonden in de burcht hoog boven het stadje. In
1417 ging het graafschap over in handen van
Engelbrecht van Nassau. De titel Graaf van
Vianden leeft nog verder in de Walramse Linie
van het Huis Nassau. De burcht staat er nog
altijd. Veertig jaar geleden was het niet meer
dan een uitgesleten ruïne zonder daken en met
halve muren. Nu is het volledig gerestaureerd en
wel alsof het er altijd zo heeft uitgezien.
Ongetwijfeld gefinancieerd door Dexia, die zo
keurig de zwarte rekeningetjes van onze
bouwfraudeondernemers beheert. Verder is Vianden
dus één aaneengeschakelde horecagelegenheid, met
er tussenin een keten van souvenirswinkeltjes.
Maar het ligt wel prachtig in het rivierdal van
de Our, diep uitgesleten tussen beboste
hellingen. Heerlijk ouderwets bestraatte
weggetjes tussen veelkleurige en gevarieerde
huizen, winkels en terrasjes, dus toch een feest
voor het oog. Het GGG kiest al jaren de eerste
uitspanning van het dorp. Het is een restaurant
met een groot terras midden in de zon en met
uitzicht op het kasteel als je naar boven kijkt
en op de rest van Vianden aan de onderzijde van
het beeld. Op het terras worden we opgewacht
door de echtgenoten van Jan en Andries, Els en
Sylvia. Binnen een paar minuten is vrijwel het
gehele GGG aanwezig, behalve Andries, die op de
twintig kilometerroute loopt en Vianden niet
aandoet. Traditioneel drinken we hier in Vianden
een Diekirch biertje. Niet dat gewone spul, maar
de Grand Cru, zoals dat het Genootschap wel
toevertrouwd is. Of zou moeten zijn. Want de
werkelijkheid is dat slechts Jan en ik het hoger
alcoholpercentage van de Grand Cru noodgedwongen
gedogen, teneinde de exeptionele smaak van dit
topbiertje te kunnen proeven. De rest van de
aanwezige genoten, Freddie, Ipe en Johan, nemen
de ordinaire pilsvariant. Van Freddie en Ipe
vind ik dat niet zo erg. Ze worden ouder en
voelen zich daardoor wellicht wat onzeker. Maar
van onze Johan valt het me zwaar. We hebben
verdomme zoveel geinvesteerd in die jongen!
Giebel en Gebbel drinken cola. Laat maar...
Brandenbourg
Na Vianden loop ik, met Jan, Knabbel en Babbel
langs een drie kilometer lange rotswand richting
Brandenbourg. Als de dames worden ingehaald door
een peloton luchtmachtsoldaten hoor ik de meiden
vrolijks met de soldaten praten. Wat ze zeggen
weet ik niet maar het peloton versnelt vrijwel
onmiddellijk de pas. De soldaten kijken
geschrokken en houden het tempo er nu stevig in.
Wat motivatie niet te weeg kan brengen. In
Brandenbourg eten we hamburgers en bratwursten
aan houten tafels langs de kant van de weg. Het
is de laatste rust voor de GGT, de Grote Gemene
Teringlijer, een heuvel van meer dan zestien
procent, over een lengte van ruim twee
kilometer. Niet de langste klim van de mars maar
toch wel een van de steilste en zwaarste. Wie
hem kent ziet er tegen op. Voordat we opstaan
vertelt één van onze dames met een lieve
glimlach dat haar string door al dat gewandel
een beetje klem is komen te zitten. Als ze hem
met een achteloos gebaartje, een charmante
knipoog en een verlegen "Oeps......." weer los weet
te trekken, daalt er een serene stilte over het
terras. En paar jonge mariniers kijken wat
ontdaan om zich heen. Dat hebben ze nog niet
meegemaakt, in Afghanistan.
Diekirch
Na de GGT is het snel aan op Diekirch. Met, net
als ieder jaar, de vergeten verrassing, de
laatste grote heuvel die beklommen moet worden
alvorens heuvelafwaarts naar de finish te
glijden. Via de buitenwijken, met de eeuwig
gesloten rolluiken voor alle ramen, wandelen we
door het uitgestorven centrum, alvorens de
laatste knip te ontvangen bij het station. Jan
en ik lopen naar hotel du Parc voor een biertje.
Goed, dat is natuurlijk ook niet helemaal
onvoorspelbaar. Als we op de camping aankomen
treffen we de rest van het gezelschap. Petra,
Marleen en Frans, die samen het twaalf
kilometerparcours hebben gewandeld, hebben al
boodschappen gedaan. Als ik ga zitten wordt ik
aangevallen door Farouk en Jack, de twee boxers
van Marleen en Frans. Met name Farouk slaat
letterlijk en figuurlijk zijn 'armen' om je heen
en is in staat om je volkomen dood te knuffelen.
Karin is intussen ook binnen. Vorig jaar liep ze
de eerste dag veertig en de tweede twintig wat
veel wandelaars doen, maar dit jaar loopt ze
twee keer veertig. Dat komt haar ook niet slecht
uit want opvallend om haar heen zien we Leo, een
luchtmacht-onderofficier in Afghanistan. Of Leo
Karin leuk vindt, of dat Karin Leo leuk vindt,
helemaal duidelijk wordt het niet, maar later
dit weekend stellen we vast dat er hoe dan ook
toch wel wat vrije tijd in is gaan zitten. Jan
en Andries, onze Grootgennepse Drankorgels, gaan
morgen samen de twintig kilometer lopen. Nee,
dan onze Tweeling Trol en Troela! Er zou dan een
knopje aan/uit op moeten zitten, maar lopen doen
ze wel.
Barbecue
Vanavond gezamenlijk aan de barbecue. Freddie en
Ipe worden dan toch weer een beetje roofdieren.
Zelf ben ik niet tegen de jacht. Als ik mocht
kiezen tussen de houtvesterijen van Apeldoorn,
om daar, bejaagd door Koningin Dubbelloops
Maxima, te eindigen op de gouden verwarmde
borden van paleis 't Loo, of dat ik, vanuit het
weiland van boer Biet, moest eindigen op de
barbecue van zo'n zuipende Neanderthaler met
Heinekenschort, dan wist ik het wel. Een zwijn
heeft zo zijn voorkeuren. Maar ons varkensvlees
heeft die mazzel niet. En het smaakt er niets
minder om. Freddie en Ipe mogen het dan fijn
vinden om de stukken vlees steeds om te keren,
Heinekenschorten dragen ze tenminste niet. En ze
zingen er wel heel mooi bij. En, belangrijker,
ze dragen geen t-shirts van het Genootschap,
opdat niemand ziet dat we ook dit soort dingen
eten. De meesten van ons gaan toch wel vroeg
naar bed, waaronder ikzelf. De volgende morgen
blijken er toch nog een paar diehards het dorp
in te zijn geweest.
Dag twee
Het weer laat ons in de steek. Het regent nog
net niet maar garanties zijn er niet. Via
Gilsdorf gaan we de grote klim op. Via Moserhaff
en Reisermillen gaan we vandaag naar Beaufort
waar we ieder jaar, de traditie getrouw,
lunchen. Op de heenweg paar klimmetjes van meer
dan een uur per keer. Onderweg om de vijf
kilometer de waterplaatsen van het Luxemburgse
leger. De soldaten richten daar marktkramen op
waar ze honderden plastic bekertjes met water
neerzetten, al dan niet aangelengd met
vruchtensiroop. Er staan dan ook toiletten. De
zogenaamde Dixie's. Het zijn moderne
kunststofvarianten op de ouderwetse poepdoos. In
het midden van de unit een plastic tank met een
gat en een deksel. Rond het deksel een vaste
wc-bril. In de unit een unieke samengestelde
geur die zich redelijkerwijze niet meer laat
beschrijven. Zelfs Ilonka die er noodgedwongen
gebruik van moet maken, is meer dan drie minuten
stil als ze er uit komt. Zelf loop ik liever een
kilometer naar de plaatselijke bosrand dan dat
ik ooit nog een keer zo'n menselijke
methaanfabriek binnen stap. We lopen wel stukken
samen op maar houden het tempo er wel in. Het
landschap is, zeker tot aan Beaufort, erg mooi,
maar zonder zon mist het de sprankeling van de
eerste wandeldag. Licht maakt nu eenmaal alles
mooi. In Beaufort zien we af van de traditionele
pasta want vanavond staat die van Freddie op het
menu. Een uiterst geheim recept, dat al ten
tijde van de laatste romeinse kindkeizer Romulus
in het bezit schijnt te zijn geweest van de
germaanse heerkönig Friedrick, die als
foederatus voor Rome vocht en geheim inwijdeling
was van de Groot Gennepse Frankische
Broederschap van Mitras, waaruit het hedendaags
Genootschap uiteindelijk is voortgekomen.
Friedrick zou het recept weer hebben opgedaan
van een germaanse maat bij de Pretoriaanse Garde
van Romulus. Met name het onbekende
Gleufgiebelkruid (foramen risus aroma)
veroorzaakt mits met mate toegediend een
licht erotische roes, wat de romeinen ooit tot
heftige orgiën schijnt te hebben gedreven. Ook
bij ons zal het vanavond dus wel een latertje
worden.
Maar eerst lopen we nog even terug naar
Diekirch. Ik ben vanochtend zo eigenwijs geweest
om geen jack mee te nemen en als het na Beaufort
begint te regenen, en ook de temperatuur
behoorlijk achterblijft, kan ik niet anders meer
dan een plastich poncho aandoen en aanhouden.
Het is de enige manier om geen kou te vatten.
Mijn t-shirt is volkomen doorweekt en de
luchtvochtigheid in de heuvels ligt rond de
negentig procent, dus het droogt niet meer op.
Een windje er over en je hebt het recept voor
een schitterende longonststeking. Nadeel is dat
je het onder je plastic poncho nog warmer krijgt
en weer meer gaat zweten. Drama, drama, drama.
Maar het laatste stuk loopt langs de camping
waar ik schone droge spullen aan kan trekken en
een oordentelijk jack. Aan de finisch worden
traditioneel de medailles afgehaald. Het
finishterrein is een oud boerenerf met grote
oude schuren en nieuwe aanbouw waar gefeest kan
worden. Het is zoals altijd vreselijk gezellig.
Alle wandelaars drinken er een biertje of eten
er een vette hap. Voor dat laatste moet eerst
bij een houten kassakeet een bonnetje worden
gekocht. Er zijn bonnetjes voor hamburger, brot
mit bratwurst, patat, shoarma. Bij de ene
mevrouw kun je alleen terecht voor de hamburger
en de bratwurst en bij de andere voor de frites
en de shoarma. Back to the forties. Het kan
allemaal in Luxemburg.
Maar wij gaan terug naar de camping voor de
pasta van Freddie. Klaargemaakt op de
schottelbraai. We eten en drinken en de afwas
wordt weer voor ons gedaan. Sommigen doen even
een dutje. Iedereen is moe. Na het eten wordt
het weer slechter en kruipen we allemaal in de
caravan van Marleen en Frans. De honden op de
mat in het midden. De bedbank voorin is al bezet door
Frans, Ilonka, Freddie en ikzelve. Maar op het
bed achterin is er nog wel plaats bij Marleen,
Aartje en Petra. Als Johan als laatste
binnenkomt kan hij of staan of bij de dames
plaatsnemen. Hij blijft liever staan, maar de
sirenen van Diekirch lokken hem naar het bed met
wonderschoon gezang. En zoals ooit de
rijnschippers van de Lorelei kan hij niet anders
dan toegeven en laat hij zich vol overgave op
het bed trekken. Dan wordt het tussengordijntje
gesloten en nooit, nooit hebben we meer van
Johan gehoord.
Die nacht, op de brug over de Sûre, waar ooit,
in 897, Swentibold, de tweede koning van het
legendarische maar kortstondige middenrijk
Lotharingen, toetrad tot de Groot Gennepse
Frankische Broederschap, worden Ilonka en Aartje
volgens een strikt geheime ritus opgenomen in
het Groot Genneps Genootschap ter Bevordering
van de Gecombineerde Zang- Drank- en
Wandelkunst. Niet alle leden zijn daar mee
akkoord maar ook in het genootschap is de
democratisering niet langer buiten de deur te
houden. Leve de Malibu zullen we maar zeggen
..............
|