De jonge luitenant van het Canadese 425e tactical fighter squadron vond het maar niets. Hij was kort na zijn officiersopleiding en zijn vliegopleiding aangesteld tot luitenant-vlieger, maar was onmiddellijk daarop door zijn squadroncommandant aangewezen - geflest - als pelotonscommandant van het stafpeloton dat al sinds het begin van de koude oorlog meeliep in de 4Daagse van Nijmegen. In Nederland. Zijn collega-vliegers hadden gierend van het lachen zijn definitieve callsign vastgesteld: ‘Walker’. Hij was er niet blij mee.
Zijn wat zeurderige peloton van administrateurs en onderhoudsmensen – er had nog nooit een vlieger meegelopen - maakte zich op deze laatste militaire halteplaats op voor de zeven heuvelen van Groesbeek. Daar zou het peloton, bij de Canadese oorlogsbegraafplaats op de top van de tweede grote heuvel, de traditionele eregroet brengen aan de Canadese militairen die in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog waren gevallen in Duitsland en Zuid-Nederland. De andere militaire 4Daagsedetachementen deden er ieder jaar trouw aan mee. Het hoorde er allemaal bij, dacht hij filosofisch.
Het was warm. De mannen en vrouwen in zijn peloton vonden het heet. Hij vond dat ze niet veel gewend waren. Ze werden hier op de grote rustplaats gevoed en gelaafd, vooral gelaafd. Hij glimlachte toen hij zijn ijskoude blikje cola-light met zijn middelvinger open klikte en de inhoud in één grote gulp in zijn geopende slokdarm goot. Hij maakte zich niet druk over deze klus. In de woestijn van Saoudi Arabië maakte een grote internationale coalitie zich op om die hufter van een Sadam Hoessein uit Koeweit te verjagen. De Canadese luchtmacht zou deelnemen aan de gevechtsacties, mocht het oorlog worden. Hij had zijn marsorders voor 1 september 1990 al in zijn zak. Half september zou hij zijn CF.-18 Hornet overvliegen naar het Midden Oosten. Voor het echte werk…….
De parochiekerk van de Heiligen Cosmas en Damianus in Groesbeek was, zoals ieder jaar op kerstavond, helemaal volgestroomd. De drie pastores van de kerk hadden overuren gemaakt en de mis had bij de gelovigen – en de vele gelegenheidsbezoekers - een gevoel van mystiek opgeroepen zoals ze dat zelden hadden meegemaakt. Dat kwam ook door de omstandigheden. Na vierentwintig jaar gure of verregende kerstmis was er gistermorgen een stevig pak sneeuw gevallen en was de temperatuur aan het eind van de dag dik onder nul gedoken. De natte lucht, die de sneeuw had gebracht, had nu plaats gemaakt voor droge vrieslucht die op kerstavond een fonkelende sterrenhemel boven de sneeuw toverde. Venus hing majestueus boven de witte, heuvelachtige horizon ten noorden van Groesbeek. De kerkgangers waren op weg naar de mis al betoverd door de blauwwitte nachtkleur van de nog vrijwel maagdelijke sneeuw. In de kerk was het koud. Die koude lucht maakte de stemmen in de kerk kristalhelder, die van de priester die de nachtmis celebreerde, maar bovenal die van het koor. Aan het einde van de mis werd traditiegetrouw het ‘Stille nacht, Heilige nacht’ gezongen. De kerkgangers zongen mee, zacht, zodat de veelkoppige stem boven de hoofden bleef zweven en in de uiterste hoeken van de kerk zelfs de stenen moedermaagd tot tranen leek te beroeren. Het bracht ook tranen in de ogen van een oude heer, helemaal achterin de kerk. Hij verstond geen Nederlands maar werd daardoor ook niet afgeleid van de schoonheid van de stemmen die in de natuurlijke echo van de kerk door zijn lichaam en ziel trokken, daarmee de taal gemakkelijk overstijgend.
Achttien jaar lang al kwam hij trouw ieder jaar naar Nederland, lange tijd samen met zijn vrouw. Altijd in de zomer. Aan het begin van de derde week van juli, vlak voor de 4Daagse van Nijmegen. Het ritueel was altijd hetzelfde. Zaterdagmiddag aankomst op Schiphol, dan met de trein via Arnhem naar Nijmegen en daar inchecken in het redelijke en toch niet al te dure hotelletje in het centrum. Zondagochtend naar de 4Daagse mis in de Sint Stevenskerk in het centrum van Nijmegen. Een wandeling naar de Waal, een terrasje, `s avonds eten in de stad. Maandag inschrijven en dan vier dagen wandelen. Altijd samen. Hij had nooit de voor heren verplichte afstand van vijftig kilometer per dag gelopen. Het was te ver voor zijn vrouw en samen de veertig kilometer lopen was belangrijker dan het goud geverfde stukje blik waar de andere wandelaars altijd zo druk over deden. Zijn vrouw kreeg het kruisje natuurlijk wel maar hij wist niet eens waar ze het al die jaren had bewaard, laat staan dat ze het ooit gedragen had. Later, net toen hij vijftig jaar was geworden, werd de veertig kilometer te zwaar voor haar en stapten ze samen verder op het dertig kilometerparcours. Totdat ze vier jaar geleden werd opgenomen in het ziekenhuis van Quebec. Met maag en darmklachten. Onderzoeken leverden niets op maar haar lichaam wilde eenvoudig niet meer functioneren zoals het moest. Twee weken later stierf ze. Op kerstavond. De dokters verklaarden haar ‘totaal versleten van binnen’, wat er op neer kwam dat ze het niet wisten. Maar hij wist het wel. Ze wilde al lang niet meer leven, behalve nog voor hem. En daar was nu geen kracht meer voor geweest. Nog drie jaar had hij de 4Daagse van Nijmegen alleen gelopen. Al stond zijn magere inkomentje het hem nauwelijks toe. Vroeger was dat beter geweest. Ze had altijd mee gewerkt. Nadat hun zoon naar de middelbare school was gegaan zelfs weer fulltime. Nu was het leven dus weer aanzienlijk duurder geworden. Toch bleef hij trouw naar Nijmegen komen. Zoals hij haar beloofd had. Totdat de doktoren van hetzelfde ziekenhuis in Quebec hem in november dit jaar hadden verteld dat hij te lang was blijven doorroken. Van hem wisten ze wél wat er aan scheelde. Zijn longen waren onherstelbaar aangetast en de ziekte had zich uitgezaaid. En dat was de reden dat hij dit jaar voor de laatste maal was afgereisd naar Nederland. Nu om kerstmis door te brengen in Groesbeek, want de volgende 4Daagse stond volgens de artsen niet meer op zijn agenda.
Maar toen hij de kerk uitliep voelde hij zich voor het eerst sinds maanden uitstekend. De koude vrieslucht streelde zijn gehavende longen. Hij was al weken constant uitgeput en leefde voor een steeds groter wordend deel op pillen. Pillen om de bloedingen te voorkomen en morfinetabletten. Ook de reis naar Nederland had hem volkomen uitgeput en vanmorgen had hij weer bloed opgegeven, ondanks de medicijnen. Maar vanavond was het anders. Het was niet dat de pijn verdwenen was, maar hij voelde zich energieker dan hij zich in jaren had gevoeld. Het kwam misschien door de kou. Of door de mis. Of door God, al wist hij dan niet waarom. Hij wilde teruglopen naar zijn hotel in Groesbeek maar zonder er verder een gedachte aan te wijden sloeg hij linksaf en wandelde rustig het dorp uit. De heldere sterrennacht in.
Direct aan de rand van het dorp zag hij de eerste heuvel van de weg naar Berg en Dal, de Zevenheuvelenweg. Hij voelde zich haast weer een jonge man toen hij de eerste stappen bergopwaards maakte. Hij was een oud wrak geworden toen hij het topje van de heuvel had bereikt. Zijn slapen klopten en zijn oude kapotte longen konden de zuurstof niet leveren die de rest van zijn gemartelde lichaam nu zo nodig had. Iedere spier in zijn benen was verzuurd en hij voelde steken in zijn milt en zijn lever. Hij was duizelig van vermoeidheid en misselijk van de pijn. Maar toen hij zich om wilde draaien zag hij boven de kale kruinen van de bomen langs de weg een puntje licht dat snel in de richting van Nijmegen bewoog. Hij was niet gek. En ook niet goedgelovig. Hij wist dat ooit de ster van Bethlehem waarschijnlijk de komeet van Halley was geweest en dat dit een vliegtuig moest zijn of een in de dampkring verbrandend meteorietje. Maar toch ging hij niet terug en begon weer voorzichtig te lopen, het lichtje achterna. Halverwege de tweede heuvel begon de pijn zwarte strepen door zijn bestaan te trekken. Hij hijgde en huilde, kon niet meer verder en kon niet meer stoppen. De pijn vernielde zijn gedachten. Hij deed het enige wat hij nog kon. Hij drukte twee morfinetabletten uit de strip in zijn jaszak – één meer dan anders – en slikte ze door. Hij leunde tegen een boom, voelde zich koud worden en wankelde, tien minuten later, weer verder, in afwachting van de warme verdoving die ieder ogenblik kon invallen.
Onverwacht stond hij toch op de top van de tweede heuvel. Hij keek om zich heen en zag links van de weg de greens van de Groesbeekse Golfclub. Maar hij ging rechtsaf en liep de Canadese militaire begraafplaats op. De morfine was kennelijk aangeslagen. Hij voelde pijn noch vermoeidheid. En hij had het niet meer koud. Het bevreemdde hem niet dat de begraafplaats zacht verlicht was. Hij liep de lange rijen witte graven voorbij, al glansden ze prachtig in de heldere sterrennacht. Maar hij had bij de graven niets te zoeken. Zijn zoon was, in een kille novembernacht in 1990, met zijn Hornet neergeschoten op de terugtocht van een bombardement op doelen rond Bagdad. Door een granaat die misschien niet eens op hem gericht was. Er was geen graf geweest voor zijn kind. Het lichaam was nooit teruggegeven. Dus wandelde hij doelbewust naar het Groesbeek Memorial dat zijn vrouw en hij al die jaren hadden bezocht, ieder jaar op de derde dag van de 4Daagse van Nijmegen. Het memorial was naast de oorlogsgraven gebouwd, een zuilengallerij met op de wit-marmeren muur de namen van de Canadese soldaten die in 1945 rond Nijmegen en Groesbeek waren gesneuveld en wier lichamen niet waren teruggevonden. De naam van zijn zoon stond daar natuurlijk niet bij, maar toch was het memorial hun bedevaartplaats geworden, want het Nederlandse Nijmegen was de laatste buitenlandse bestemming geweest waarvan hun kind levend thuis was gekomen. Ze wisten dat hij hier op zíjn derde dag van de 4Daagse ook geweest moest zijn.
Nu was het kerstavond en stond hij opnieuw voor het memorial. De witte muur was zacht verlicht en hij zag dat de naam van zijn zoon er nu wel op stond: John McCrae. In gouden letters. Het verbaasde hem niet. Zo goed als het hem niet verbaasde toen hij schuin achter het memorial een jonge man en een oudere vrouw ontwaardde. Rustig liep hij naar ze toe.
Een jonge boer vond hem de volgende ochtend en belde de politie. De brigadier die ter plaatse kwam vond hem op het voetpad van de zevenheuvelenweg, halverwege de tweede heuvel en tweehonderd meter voor de ingang van de Canadese militaire begraafplaats. Verstijfd door de vrieskou en de rigor mortis. In overleg met de centrale meldkamer vroeg ze om de schouwarts. De piketrechercheur kwam niet kijken, want de brigadier zag niets dat wees op een misdrijf. De oude heer lag ontspannen op het asfalt. Zijn armen waren gespreid en zijn geopende ogen glimlachten naar de fel blauwe winterhemel. |